Overlevering aan Polen: een motie van wantrouwen

Op 31 juli 2020 besloot de Internationale Rechtshulpkamer (IRK) te Amsterdam om een overlevering van een Poolse onderdaan aan Polen op te schorten.

Zoals gemeld in een plaatselijke krant zaten de Amsterdamse rechters met “het overleveringsverzoek in hun maag omdat het recht op een eerlijk proces in Polen al sinds 2017 ‘onder druk staat’ en de Poolse rechtbanken volgens de rechters kampen met politieke inmenging”.

De Amsterdamse rechtbank besliste met andere woorden dat de Poolse rechtbanken niet langer onafhankelijk zijn ten aanzien van de Poolse regering en parlement.

Omwille van deze beslissing schort de IRK de overleveringen naar Polen dan ook voorlopig op.

Politieke inmenging in Polen

Ierse rechters maakten zich reeds een 3-tal jaren geleden zorgen wanneer het aankwam op overleveringen aan Polen.

De vraag stelde zich toen of rechters van EU-lidstaten de overlevering aan andere EU-lidstaten, zoals Polen, mogen weigeren in het licht van het Europees recht.

Om uitsluitsel te bekomen, stelden Ierse rechters in 2017 reeds een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Meer concreet antwoordde het Hof van Justitie van de EU het volgende :

“Het [kan] een rechter […] zijn toegestaan bij wijze van uitzondering aan een Europees aanhoudingsbevel geen gevolg te geven, wanneer de persoon tegen wie dat aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, in geval van overlevering aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve zijn […] grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast”.

Hoe werd sindsdien de concrete toetsing voor de overlevering gemaakt?

Het Europees principe van wederzijds vertrouwen

Eén van de basisprincipes van het EU-recht in het kader van overleveringen, betreft het wederzijds vertrouwen tussen EU-lidstaten. Elke EU-lidstaat moet erop kunnen vertrouwen dat de grondrechten van verdachten in alle andere EU-lidstaten gerespecteerd worden.

Alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan afgeweken worden van dit principe en zijn de lidstaten niet langer verplicht elkaar te vertrouwen.

Om tot een dergelijk oordeel van “wantrouwen” te komen, moeten twee aspecten geëvalueerd worden:

1) Of er structurele problemen bestaan op gebied van de bescherming van grondrechten; en

2) Of er ten aanzien van de persoon wiens overlevering gevraagd wordt een reëel risico bestaat dat zijn grondrechten na overlevering geschonden worden.

Concrete toetsing bij overleveringen in het verleden

In de eerste plaats diende er geoordeeld te worden of er in Polen sprake was van structurele problemen (1) op het gebied van de bescherming van grondrechten.

Een belangrijke indicatie in dit opzicht betreft een document dat werd opgesteld door de Europese Commissie in het kader van artikel 7 van het EU-verdrag waaruit blijkt dat de onafhankelijkheid van de Poolse rechtsstaat sterk onder druk staat.

Zulks blijkt uit het feit dat binnen een periode van twee jaar meer dan 13 opeenvolgende wetten zijn vastgesteld die betrekking hebben op de algehele structuur van het rechtsstelsel in Polen.

Daarenboven hadden al deze wetswijzigingen gemeen dat de uitvoerende of de wetgevende macht stelselmatig in staat wordt gesteld om aanzienlijke invloed uit te oefenen op de samenstelling, de bevoegdheden, het beheer en de werking van de rechtsstelsel.

Art. 7 van het EU-verdrag bepaalt dat indien er in een bepaalde EU-lidstaat een duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending van de waarden van de EU, bepaalde rechten en verplichtingen van de lidstaat in kwestie kunnen worden opgeschort.

Zo zal bijvoorbeeld het principe van wederzijds vertrouwen niet langer van toepassing zijn met betrekking tot de lidstaat alwaar er een duidelijk gevaar op ernstige schending van de EU-waarden bestaat en zullen de Europese Aanhoudingsbevelen van die lidstaat zelfs niet meer in behandeling genomen worden.

Het was in het verleden echter nog niet zo ver wanneer het op Polen aankwam…

Ten tweede diende de rechter, die moet oordelen over een eventuele overlevering aan Polen, nog te beoordelen of er zwaarwegende en feitelijke gronden bestaan om aan te nemen dat de over te leveren persoon een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en dus dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast (2).

Daarbij moet rekening worden gehouden met de persoonlijke situatie van de gezochte persoon, de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd in Polen en de feitelijke context die aan het Europees Aanhoudingsbevel ten grondslag liggen.

Wanneer de rechter die moet oordelen over de overlevering te weinig informatie heeft, moet hij de Poolse rechter contacteren, die alle informatie zal moeten voorzien om aan te tonen dat hij op onafhankelijke wijze kan handelen. De bewijslast ligt dus uiteindelijk bij de Poolse rechter zelf.

Redenen tot het stellen van nieuwe vraag aan het Hof door de Nederlandse rechters

Op 31 juli 2020 besliste de IRK dat recentelijke politieke ontwikkelingen ervoor zorgden dat de gerechtelijke onafhankelijkheid op basis van de structurele problemen in Polen niet meer kan gegarandeerd worden.

De politieke inmenging in het rechtsstelsel door benoemingen en overplaatsingen van (vice-)presidenten in de rechtelijke macht kenden een verdere opmars.

Er werden meerdere rechters op onrechtmatige wijze benoemd, werden verschillende rechters gedwongen gepensioneerd en er geldt sinds 2019 een nieuw tuchtrecht voor rechters dat het regime onwelgevallige rechters verder in de problemen brengt.

In deze recente zaak beslisten de Amsterdamse rechters dat er, sinds het antwoord van het Hof van Justitie op de vraag van de Ierse rechters, duidelijk sprake is van een ernstig toegenomen druk op de onafhankelijkheid van de Poolse rechterlijke instanties.

Zo blijkt bijvoorbeeld uit het feit de Nederlandse autoriteiten slechts op twee van de tien vragen om extra informatie een antwoord ontvingen.

Het is dan ook om deze redenen dat de voormelde rechters zich afvragen of er nog nood is aan een evaluatie van het tweede criterium betreffende het reëel en persoonlijk risico.

De structurele en fundamentele problemen die zich momenteel voordoen in Polen, hebben volgens de Nederlandse autoriteiten tot gevolg dat, ongeacht de situatie van de gezochte, er een gevaar bestaat op een schending van diens grondrechten.

Het is dan ook deze vraag die de Nederlandse rechters, onder andere, aan het Hof van Justitie van de EU hebben gesteld.

Het is de eerste maal dat het Hof deze vragen krijgt voorgeschoteld.

De IRK verzocht het Hof bovendien om de vraag met spoed te behandelen, gelet op het feit dat de gezochte persoon zich momenteel nog in overleveringsdetentie bevindt.

De vrijlating als gevolg

Ingeval er aldus in Polen sprake is van structurele problemen en het Hof van Justitie op de vraag van de IRK antwoordt dat de persoonlijke situatie van de gezochte niet langer onderzocht moet worden wanneer Polen om de overlevering vraagt, zal de rechter van de overleverende EU-lidstaat kunnen beslissen om geen gevolg te geven aan het Europees Aanhoudingsbevel zoals uitgevaardigd door de Poolse rechter.

De Belgische wetgeving voorziet alvast in die mogelijkheid.

In art. 4, 5° Wet EAB valt namelijk het volgende te lezen:

“De tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wordt in volgende gevallen geweigerd:

5° ingeval ernstige redenen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden bevestigd door artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.”

Hoewel België niet eerder voorzag in een standaard weigering tot overlevering op basis van deze bepaling, zal de beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie hier ongetwijfeld voor de nodige duidelijkheid zorgen.

Tot slot zal het gevolg van een niet-tenuitvoerlegging van een Europees Aanhoudingsbevel zijn dat de gezochte persoon, die mogelijks in voorlopige hechtenis genomen werd op basis van voormeld Europees Aanhoudingsbevel, vrijgelaten moet worden.

Bovendien zal het Europees Aanhoudingsbevel op het grondgebied van de weigerende autoriteit niet langer leiden tot de aanhouding van de gezochte persoon.

Wij houden u uiteraard op de hoogte van de uitspraak van het Europees Hof van Justitie en de mogelijke impact hiervan op de gevraagde overleveringen naar Polen.

To be continued …

Wilt U hierover meer informatie, neem dan gerust contact met ons op via info@bannister.be of 03/369.28.00.

26 augustus 2020