De fiscus versus het recht op eigendom

Fiscale boetes en belastingverhogingen worden opgelegd of doorgevoerd in verschillende situaties en vaak lopen de bedragen op tot aanzienlijke hoogtes, enkel en alleen omdat je een bepaalde fiscaalrechtelijke verplichting niet bent nagekomen en ongeacht of je effectief het doel had om belastingen te ontduiken.

Dat de fiscus de bevoegdheid heeft om over te gaan tot een belastingverhoging of tot het opleggen van zo’n fiscale boete staat vast. Maar of zo’n beslissing ook steeds in overeenstemming is met het recht op eigendom, is nog maar de vraag.
Diezelfde vraag speelt bovendien ook wanneer er wél bewust belastingen werden ontdoken, op frauduleuze wijze, waarna enorme sommen verbeurdverklaard worden, die op hun beurt aan de Belgische Staat – de fiscus – toekomen.

De relatie tussen het recht op eigendom enerzijds en de fiscale geldboetes en verbeurdverklaringen anderzijds vormt het onderwerp van deze bijdrage.

Recht op eigendom en fiscale geldboetes

Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bepaalt het volgende:
Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.”

Daarnaast stelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in haar arrest van 11 januari 2007, in de zaak Mamidakis t. Griekenland, dat fiscale geldboetes overduidelijk een schending kunnen uitmaken van het recht op eigendom.
Uit dit arrest volgt dat lidstaten van de Raad van Europa inderdaad de bevoegdheid hebben om het gebruik van eigendom te reguleren – aan de hand van fiscale verplichtingen en boetes bijvoorbeeld – maar dat zij dat op een proportionele manier moeten doen en zonder de financiële situatie van een persoon op fundamentele wijze aan te tasten.
De Europese lidstaten hebben met andere woorden wel wat manoeuvreerruimte maar een boete die het tienvoudige van de belastingschuld bedraagt, zoals in de Mamidakis-zaak het geval was, is in ieder geval disproportioneel.

In België lopen fiscale boetes maximaal op tot 1.250 EUR en zij zullen dus niet snel een disproportionele inbreuk op het recht op eigendom inhouden, hoewel alles natuurlijk afhangt van de initiële belastingschuld.
Belastingverhogingen daarentegen kunnen een zwaardere financiële impact hebben, aangezien de belasting op niet-aangegeven inkomsten met 200% verhoogd kan worden (m.u.v. enkele begrenzingen) en die verhoging bovenop de belasting in kwestie komt.
Een verhoging met 200% is natuurlijk nog steeds geen vertienvoudiging van de belasting maar kan zeker tellen en tot een discussie over de proportionaliteit leiden.
Er moet minstens geëvalueerd worden of een dergelijke verhoging de financiële situatie van een persoon al dan niet op fundamentele wijze aantast.

Recht op eigendom en verbeurdverklaringen

Daarenboven heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, onder andere in haar arrest van 8 oktober 2019 in de zaak Balsamo t. San Marino, geoordeeld dat het recht op eigendom evenzeer van toepassing is wanneer verbeurdverklaringen uitgesproken worden, in het kader van een strafrechtelijke veroordeling voor fiscale misdrijven of witwaspraktijken, bijvoorbeeld.
Tegelijkertijd stelt het Hof wel dat de lidstaten van de Raad van Europa ruime bevoegdheden moeten hebben om illegale sommen geld uit de economie te kunnen halen.

Echter, een principe dat in ieder geval blijft gelden, ook wanneer een verbeurdverklaring uitgesproken wordt, is het proportionaliteitsbeginsel.
In het Belgisch Strafwetboek wordt dan ook terecht bepaald dat, wanneer de strafrechter de mogelijkheid (en dus niet de verplichting) heeft om een verbeurdverklaring uit te spreken, diezelfde rechter het bedrag zal verminderen “om de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen”.

Bovendien kan worden opgemerkt dat, sinds 1 januari 2020, de strafrechter verplicht is om rekening te houden met fiscale boetes en belastingverhogingen en dat diezelfde rechter geen verbeurdverklaring mag opleggen wanneer de belastingen of taksen volledig betaald werden; juist omwille van het feit dat een persoon geen twee keer veroordeeld mag worden voor hetzelfde feit.

Vragen over fiscale boetes, belastingverhogingen? In contact gekomen met de fiscus?
Neem dan gerust contact met ons op info@bannister.be of 03/369.28.00.

28 december 2020