Politiegeweld vanuit een juridisch perspectief: wat zijn nu werkelijk de grenzen van het toelaatbare?

Het onderwerp ‘politiegeweld’ is de laatste tijd niet meer weg te denken uit het maatschappelijk debat.

Diverse incidenten gaven aanleiding tot een sterke polarisering van het onderwerp, wat op zijn beurt leidde tot nieuwe incidenten en een steeds maar groter wordende controverse.

Maar wanneer is politiegeweld nu geoorloofd en wat zijn de grenzen van dit ‘toegestane’ geweld?

Als handhaver van de openbare orde beschikt de politie over een zogenaamd geweldsmonopolie: zij hebben als enige instelling het recht om geweld te gebruiken in de uitoefening van hun taken.

Wat België betreft, zijn de grenzen en toepassingsvoorwaarden van dit toegestane geweld terug te vinden in de Wet op het Politieambt van 1992 (hierna ‘WPA’).

De taak van de politie wordt omschreven in artikel 1 van voornoemde wet en luidt als volgt :

“De politiediensten vervullen hun opdrachten onder het gezag en de verantwoordelijkheid van de overheden die daartoe door of krachtens de wet worden aangewezen.

Bij het vervullen van hun opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie, waken de politiediensten over de naleving en dragen zij bij tot de bescherming van de individuele rechten en vrijheden, evenals tot de democratische ontwikkeling van de maatschappij.

Om hun opdrachten te vervullen, gebruiken zij slechts dwangmiddelen onder de voorwaarden die door de wet worden bepaald.”

Artikel 37 WPA heeft specifiek betrekking op het gebruik van deze dwangmiddelen :

“Bij het vervullen van zijn opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie kan elk lid van het operationeel kader, rekening houdend met de risico’s die zulks meebrengt, geweld gebruiken om een wettig doel na te streven dat niet op andere wijze kan worden bereikt.

Elk gebruik van geweld moet redelijk zijn en in verhouding tot het nagestreefde doel.

Aan elk gebruik van geweld gaat een waarschuwing vooraf, tenzij dit gebruik daardoor onwerkzaam zou worden.”

In dit artikel, hetwelk fungeert als grondslag voor het gelegitimeerde politiegeweld, zijn drie fundamentele rechtsbeginselen terug te vinden:  legaliteit, subsidiariteit en proportionaliteit.

  • Legaliteit

Het legaliteitsbeginsel houdt in dat het handelen van de politiediensten, zo ook wat betreft het gebruik van geoorloofd geweld, gebaseerd moet zijn op een vooraf bestaande wettelijke bepaling.

De politie mag bovendien enkel gebruik maken van geweld en dwangmiddelen voor zover hiermee een wettig doel wordt nagestreefd.

Dit doel kan uitdrukkelijk voorzien zijn in de wet, kan het gevolg zijn van een wettelijke politieopdracht of kan voortvloeien uit de reglementaire aanwending van een wettelijke bevoegdheid.

  • Subsidiariteit

Artikel 37 WPA schrijft voor dat het gebruik van geweld slechts is toegestaan voor zover het wettelijk doel op geen enkele andere manier kan worden bereikt.

Het gebruik van geweld moet in die zin begrepen worden als een ‘ultimum remedium’, een laatste redmiddel.

Wanneer later zou blijken dat het nagestreefde doel ook op een andere, niet-gewelddadige manier kon worden bereikt, zal het subsidiariteitsbeginsel geschonden zijn en zal het geweld als niet-toelaatbaar worden bestempeld.

Het vereiste van subsidiariteit houdt eveneens in dat eens het doel bereikt is, ook het geweld ogenblikkelijk dient te stoppen.

  • Proportionaliteit

 De laatste vereiste is er eentje van proportionaliteit: het gebruik van geweld moet steeds in verhouding staan tot het nagestreefde doel.

Buitensporig geweld is in die zin altijd foutief.

Ook het gebruik van handboeien werd uitdrukkelijk gereglementeerd onder de WPA.

De politie mag enkel over gaan tot het boeien van personen in volgende gevallen (artikel 37bis WPA):

  • bij de overbrenging, de uithaling en de bewaking van gedetineerden ;
  • bij de bewaking van een persoon die het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijke vrijheidsbeneming of bestuurlijke arrestatie, als het noodzakelijk wordt beschouwd gelet op de omstandigheden, zijnde onder meer op grond van :
    • het gedrag van die persoon bij of tijdens de vrijheidsbeneming
    • diens gedrag bij vroegere vrijheidsberovingen
    • de aard van het gepleegde misdrijf
    • de aard van de veroorzaakte storing van de openbare orde
    • het verzet of geweld tegen de vrijheidsbeneming
    • het ontvluchtingsgevaar
    • het gevaar dat betrokkene voor zichzelf, voor de politie of derden vormt
    • het gevaar dat betrokkene zal trachten bewijzen te vernietigen of schade te veroorzaken.

Ook wat het gebruik van handboeien betreft, dienen de principes van legaliteit, subsidiariteit en proportionaliteit aldus te worden gerespecteerd.

Hetzelfde idee gaat op voor het gebruik van vuurwapens, zoals geregeld in artikel 38 WPA.

Enkel in geval van volstrekte noodzakelijkheid zal het gerechtvaardigd zijn een vuurwapen te hanteren.

De omstandigheden waarin het gebruik wordt toegestaan, worden limitatief opgesomd in de wet (artikel 38 WPA):

  • wettige verdediging ;
  • heterdaadsituaties of in geval van een misdaad (zware criminaliteit) ;
  • voor de bescherming van personen tijdens een gerechtelijke opdracht ;
  • voor de bescherming van personen tijdens een bestuurlijke opdracht.

Last but not least: zowel het gebruik van geweld, wapens als andere dwangmiddelen zal steeds vooraf gegaan moeten worden door een mondelinge waarschuwing.

Hoewel de politie aldus beschikt over een zogenaamd geweldsmonopolie, is de eigenlijke aanwending van dit geweld verbonden aan een aantal strikt na te leven voorwaarden.

Elk gebruik van geweld dat niet aan hogervermelde voorwaarden voldoet, dient als niet-geoorloofd te worden bestempeld.

Het gebruik van dwangmiddelen en geweld zal in sommige situaties echter een ‘noodzakelijk kwaad’ uitmaken, dit ter bescherming van de geviseerde persoon zelf of ter bescherming van derden.

Wilt u hierover meer informatie, neem dan gerust contact met ons op via info@bannister.be of 03/369.28.00

21 augustus 2020